Deze voormalige en in
zijn tijd zeer bekende herberg 'Het Bonte Paard'
werd in 1982 gerestaureerd en is nu in gebruik als woonhuis.
Het linkerpand heeft een zeventiende- eeuwse oorsprong, terwijl
de rechtervleugel uit de achttiende eeuw stamt.
In die rechtervleugel bevond zich naast de gelagkamer (de kamer
in een herberg waar gegeten en gedronken wordt)
de zogenaamde 'polderkamer' waarin het polderbestuur van de
polder 'Den Hoek en Schuwacht' vergaderde .
Tot de bouw van het gemeentehuis in 1879 hield het
gemeentebestuur van Lekkerkerk ook hier haar vergaderingen.
Omstreeks 1640/ 50 woonde er in dit pand ene Pieter Aerts
Berkouwer.
Het is niet uitgesloten dat deze Berkouwer toen al een herberg
op deze plek uitbaatte.
Naar aanleiding van de gevelsteen en datum op de steen wordt
geopperd
dat deze voorloper van het Bonte Paard, 'het Paradijs', of iets
dergelijks, geheten zou kunnen hebben.
Een sluitend bewijs hiervoor is nergens in de archieven te
vinden.
Toen Huig Janse de Jong in 1753 'de Groote Boer' kocht, een
andere bekende herberg in Lekkerkerk,
had hij al veertig jaar 'tapnering' gedaan in de tegenwoordige
Bonte Paard.
Hieruit mag men de conclusie trekken dat de herberg 'Het Bonte
Paard' uit begin 1700 stamt.

Op de gevelsteen is een afbeelding van Adam en Eva in het
Paradijs- de tuin van Eden- te zien.
Daaronder staat op een banderolle een gedeeltelijk Franse
charade, een lettergrepenraadsel, te weten:
'HET AA 10 IS 11 8/ SOECKT DIE 20 1646'.
Het '1646' is het jaartal van de steen en heeft verder geen
betekenis in het raadsel.
Om tot de oplossing van het raadsel te komen dienen alle
getallen op zijn Frans uitgesproken te worden:
'HET AA DIX (=10) IS ONZE (=11) HUIT (=8) SOECKT DIE VINGT
(=20)'.
Door de twee A's die er staan- een paar A's dus- wordt het nu:
'HET PAAR AA DIX IS ONZE, HUIT SOECKT DIE VINGT',
Wanneer het geheel op een oud- Hollandse manier wordt
uitgesproken komt men op:
'Het Paradix is onze, wie't soeckt die vingt' (het paradijs is
het onze, wie 't zoekt zal het vinden).
In de Septuaginta, de oude Griekse versie van het Oude
Testament,
gebruikt men voor "de tuin van Eden" het oorspronkelijk
Perzische woord 'paradeisos'.
Adam en Eva in het paradijs rondom de verleidelijke Boom der
Kennis van Goed en Kwaad
komt als voorstelling op uithangtekens van verschillende
beroepen voor, van boekhandelaar, fruithandelaar tot tapperij.
Hun populariteit hebben zij vooral te danken aan hun bekendheid
vanuit de middeleeuwse mysteriespelen.
In die spelen verscheen Eva op het toneel in hetzelfde 'kostuum'
waarin zij zich voor Adam vertoonde.
De afbeelding op deze gevelsteen in Lekkerkerk toont de situatie
voor de zondeval.
In Genesis 3: 7- 8 waren ze oorspronkelijk allebei onbedekt en
hechten zij pas een lendenschort van vijgenbladeren om zich
heen,
nadat door het eten van de verboden vrucht hun beide ogen
geopend werden en ze ontdekten dat ze naakt waren.
Om problemen met (kerk)overheden te voorkomen is het
geslachtsdeel van Adam netjes afgedekt, dat van Eva daarentegen
niet.
Het als kunstuiting tonen van een venusheuvel zonder herkenbaar
vrouwelijk geslachtsdeel- als ook het tonen van onbedekte
borsten-
werd in de zestiende- en zeventiende eeuw niet per definitie als
onzedelijk beschouwd.

Een leuke wending in het verhaal is, dat de maker van de steen
bovenstaande zestiende/ zeventiende eeuwse gravure van
Jan Pietersz Saenredam naar
Hendrick Goltzius,
heeft gebruikt als voorbeeld voor de Adam- figuur, en nog enkele
ander details, op zijn werkstuk.
Hij heeft hiervoor wel de afbeelding gespiegeld gebruikt.
De Eva- figuur lijkt qua pose op de gravure maar is op de steen
geheel naakt en met lang haar afgebeeld.
De beide figuren op deze gravures stellen echter Pluto en
Proserpina voor
(Bij Goltzius worden ze 'Rhadamanthus en Prosperine' genoemd).
De bekendste mythe over Pluto en Prosperina, is die over het
ontstaan van de winter.
Pluto heerste alleen over zijn rijk en hij werd eenzaam.
De godin
Venus en haar zoon
Amor schoten te hulp en Amor beschoot Pluto met zijn pijlen.
Hierop vertrok Pluto naar de bovenwereld en zijn oog viel op de
beeldschone
Proserpina,
de dochter van
Ceres, de godin van de aarde .
Pluto ontvoerde haar naar de onderwereld en maakte haar tot zijn
vrouw.
Uit wanhoop over het lot van haar dochter liet Ceres de aarde
vruchteloos worden
en liep zij stampvoettend over de wereld, waarbij ieder van haar
voetsporen een woestijn werd.
De god
Jupiter zag dat het zo niet langer kon, en zond de god
Mercurius naar Pluto
met het bevel Proserpina naar haar moeder terug te brengen.
Pluto gehoorzaamde, maar haalde wel een list uit: voordat
Proserpina mocht vertrekken,
liet Pluto haar zes zaden van een
granaatappel uit de onderwereld eten.
Hierdoor werd Proserpina voor zes maanden van ieder jaar
gebonden aan Pluto
en moest zij tot in de eeuwigheid ieder half jaar met hem
doorbrengen in de onderwereld.
In al die periodes zou Ceres rouwen in haar eenzaamheid en laat zij
de aarde afkoelen (eerst in de
herfst, daarna in de
winter).
Granaatappelzaden zijn overigens sindsdien een symbool van trouw
in het huwelijk.
Of er veel voorbijgangers het raadsel op de steen hebben
opgelost is nog maar de vraag.
Alleen een kleine toplaag van de bevolking kon Frans spreken,
lezen of schrijven.
Het zal vooral de erotiserende werking van de onbedekte Eva op
de gevelsteen zijn geweest
waardoor men nieuwsgierig voor de herberg stil bleef staan en
mogelijke clientèle werd. |