Home     Over geveltekens     Gevelstenen per plaats     Thema's in gevelstenen     Links     Literatuur     Contact     Zoeken  
 
 
Geveltekens in Parijs

Bij Parijs denkt men vaak aan de grote boulevards en statige huizenblokken
die zijn ontstaan door de 'verbouwing' van Parijs in de negentiende eeuw
door de Franse stadsarchitect Georges- Eugène Baron Haussmann.
In amper vijftien jaar had Baron Haussmann zijn taak voltooid
en de oude stad tot een moderne en prestigieuze metropool herschapen.
Complete huizenblokken, buurten en wijken waren voor dit doel afgebroken
en hierdoor zijn dan ook bijna alle historische uithangborden (enseignes),
gevelstenen (enseignes en pierre sculptée), bovenlichten (impostes)
en metalen sierhekken (grilles) in Parijs spoorloos verdwenen.


 
 
 
Ruim vijfhonderd overgebleven uithangtekens zijn nu nog te bezichtigen
in zowel particuliere verzamelingen als die van Roxane Debuison,
als de verzamelingen van de musea Le Secq des Tournelles in Rouen
en Carnavalet in de Parijse wijk le Marais.
Het Musée Carnavalet, het officiële museum voor de geschiedenis van de stad Parijs, heeft twee zalen aan de uithangtekens gewijd.
Uit eerdere publicaties blijkt dat in 2001 er nog een honderdtal uithangtekens
te vinden waren langs de openbare weg.
Anno 2008 zijn daar nog maar een kleine dertig van over.
Het betreft echter vaak een afgietsel nagemaakt van het beschadigde origineel
of een reconstructie aan de hand van oude afbeeldingen.
 
De eerste uithangtekens die rond 1200 in Parijs verschenen, waren de uithangtekens die een huis of huisnaam aangaven.
Het betrof dan vaak een bas- reliëf in steen dat boven de entreedeur van de woning werd geplaatst.
Het Franse woord voor uithangborden/ uithangtekens 'enseignes'
is afgeleid van het werkwoord 'enseigner' dat wijzen of verwijzen betekent.
 
                   
 
De uithangtekens die bedrijven, winkeliers, ambachten en dergelijke aanduidden, verschenen rond 1300.
De vroegste uithangtekens in deze categorie waren die van de hôtelleries (logementen) en de auberges (herbergen).
Zij waren (oorspronkelijk) herkenbaar aan een simpele bos stro boven de deur van het etablissement.
Vanaf de vijftiende eeuw bezat elke instelling, bedrijf of beroep een eigen symbool of voorstelling om hun nering aan te geven.
Één van de meest wijdverbreide uithangtekens was die van de 'Truie qui file' (de zeug die spint).
De voorgestelde zeug die, met een lint om haar bovenlichaam gebonden, 
op haar achterste zit en drie zwijntjes de borst geeft was al vanaf de middeleeuwen het beroepsteken van slagers en slachterijen.
Het werd daarna zo populair dat ook andere beroepsgroepen het teken overnamen
en het nog steeds in vrijwel elke Franse plaats als modern uithangteken te zien is.
 
                   
 
De uithangtekens verschenen in allerlei vormen: in steen, smeedijzer, gesneden hout, plaatijzer, als schilderij op doek en zelfs als zeil. Vastgemaakt op ver uitstekende ijzeren uithangarmen, vormden vooral de uithangborden een groot gevaar voor de passanten op straat. Op dagen met harde wind riskeerde men het geraakt te worden door een afgebroken uithangbord.
Daarnaast namen de uithangtekens zulke buitenissige en gigantische vormen aan dat een tijdgenoot hierover schrijft:
"Deze uithangtekens hadden voor de meerderheid kolossale afmetingen.
Zij gaven het beeld van een volk van reuzen aan het volk dat het meest ineengeschrompelde van Europa was.
Men zag een zwaardvechter van zes voet hoog, een grote laars met een mud inhoud,
een ruiterspoor zo groot als het wiel van een karos, en een handschoen
waarin een kind van drie makkelijk in één van de vingers zou passen".
Omdat sommige van deze objecten soms van de grond af tot de derde verdieping van een gebouw reikten
en ook het daglicht uit de bovengelegen ruimten weghielden, verbood Lodewijk XIV alle monsterfiguren en te wijd uitstekende borden.
De laatsten omdat zij 's nachts het licht van de lantaarns "onderschepten".
In 1761 werden uiteindelijk ook alle hangende objecten- dus ook uithangborden- verboden
en verschenen er gevelborden en de aloude reliëfs, nu in de vorm van gevelstenen zoals wij die kennen.
Vijftig jaar later waren de uithangborden, mede door burgerlijke ongehoorzaamheid, al weer terug in het straatbeeld.
 
Het uithangteken van een bedrijf of winkel
dat op de begane grond van een pand gevestigd was
diende vaak ook als adresaanduiding van het hele pand.
In 1635, bijvoorbeeld, huurde de oom van de bekende schrijver Molière
het huis 'Griffion d'Or' (De Gouden Griffioen),
woonde Jacqueline Béjart tegenover het huis van de 'Trois Pigeons' (Drie Duiven)
en werd op 14 mei 1610 koning Hendrik IV vermoord
voor het huis 'Coeur couronné percé d'une flèche'
(Het met een pijl doorboorde gekroonde hart) in de rue de la Ferronerie.

Het is ook zo dat enkele Parijse straatnamen zijn ontstaan
naar het uithangteken dat zich ter plekke bevond.
Enkele voorbeelden hiervan zijn de rue aux Ours (beren),
rue du Plat- d'Étain (tinnen schaal), rue du Pélican (pelikaan), rue de la Lune (maan)
en de rue du Chat qui Pêche (de kat die vist).
De rue des Canettes (eentjes) dankt haar naam aan het in de gevel
uitgehakte achttiende- eeuw medaillon 'Aux quatre Canes' (In de vier wijfjeseenden),
een vervanging van een vijftiende- eeuws uithangteken.
Dit uithangteken verwees naar de legende van het wijfjeseend van Montfort
die één keer per jaar haar vijver verliet en met haar kuikens
dwars door de drukke stad wandelde tot aan de kerk.
Hier liet zij dan telkens haar kuikens achter als offerande.

Speels waren ook de woordspelingen die in de afbeeldingen werden verwerkt.
De gevelsteen 'Au Cygne de la Croix' (In de Zwaan van het Kruis)
toont een kruis dat door een zwaan met zijn hals omstrengeld wordt.
Het Franse woord voor zwaan (Cygne) klinkt vrijwel hetzelfde
als het Franse woord voor een teken (Signe).
Hierdoor kan deze gevelsteen ook gelezen worden als 'Au Signe de la Croix':
'In het Teken van het Kruis'.

Het zeer befaamde Cabaret (nachtclub, café- dansant) 'Au Lion D'Or'
(In de Gouden Leeuw) werd in de volksmond ook wel aangeduid
met de verbastering van de naam van het uithangteken.
In plaats van 'Au Lion D'Or' ging men naar de 'Au lit on dort' (In bed slaapt men).
Op het hekwerk achter het nog bestaande uithangteken zijn dennenappels te zien.
Deze waren een aanduiding dat men hier ook met een wijnhandelaar van doen had.

Het bovenaan deze pagina afgebeelde uithangteken 'À la Bonne Source'
was ook het zeventiende- eeuwse uithangteken van een wijnhandelaar.
De oorspronkelijke naam op de gevelsteen is 'Au Puits sans vin'
(In de putten zonder wijn) geweest, wat als woordspeling een verwijzing was
naar de door de overheid verplichte vermelding 'Puissant Vin' (Sterke wijn of alcohol)
die men aan de gevel moest hebben hangen wanneer men bepaalde spiritualiën verkocht.






De Franse Revolutie zorgde ervoor dat, net als onder Napoleon in de Nederlanden,
alle verwijzingen naar religieuze en monarchistische zaken moesten verdwijnen uit de openbare ruimte.
Doordat ook nog eens tegelijkertijd de huisnummering werd ingevoerd
verdwenen veel van deze oude Parijse geveltekens, op een enkele onopgemerkte uitzondering na, uit het straatbeeld.
Naast de door het regime goedgekeurde geveltekens, bleven die met daarop beroepen afgebeeld vaak wel bestaan.
   
                   
 
In Parijs zijn nog twee oude geveltekens terug te vinden die naar het vak van scharensliep verwijzen.
Op de hoek van de rue de Jouy bevindt zich een kopie van het halfronde stenen gevelteken AU GAGNE PETIT.
De originele steen bevindt zich nu in de collectie van het al eerder genoemde Musée Carnavalet in Parijs.
Het dateert uit de eerste helft van de achttiende eeuw en bevond zich oorspronkelijk
op de nu verdwenen hoek van de rue des Nonnains- d’Hyères en de rue de l’Hôtel de Ville in het 4e arrondissement.
Dit groot- formaat reliëf was ooit gepolychromeerd en toonde de scharenslijper (rémouleur) met zijn scharensliep
in het kostuum van die tijd: met een zwarte driekanten hoed (tricorne noir) en een lange rode jas (redingote rouge).
Het onderschrift GAGNE PETIT slaat op de oude Franse volksbenaming voor een scharensliep.
Gezien het feit dat de man in de afbeelding een glas opheft
wordt ervan uit gegaan dat het de scharenslijper financiel zo goed voor de wind was gegaan tijdens zijn werkzaamheden
dat hij van zijn geld een drankgelegenheid was begonnen, maar ook zijn basisberoep nog uitoefende.

Een ander reliëf met een 'rémouleur', maar dan in hout, is terug te vinden boven de deur van het adres 23 avenue de l' Opéra.
Het zit hier sinds 1847 als gevelteken van een linnenwinkel die behoorde aan een zekere Bouruet- Aubertot.
Googelen op het woord 'rémouleur' bracht een afbeelding van een schilderij van David Teniers naar boven.
Het is vrijwel zeker dat de houtsnijder van dit deurstuk de afbeelding gespiegeld en één-op-één overgenomen heeft.
 
                   
 
Het gevelteken A L'OURS is al sinds 1361 bekend.
De huidige gevelsteen is een kopie van de versteende opvolger van het originele huisteken (uithangbord of los object).
Het stelt een beer (ours) voor, waarmee wordt aangegeven dat dit huis aan de abdij van Ourscamp in Noyon behoorde.

L' ANNONCIATION (de annunciatie), die te zien is in de gevel van het pand 83 rue Saint Martin
is eigenlijk niet het originele gevel- of huisnaamteken (het is wel de oude naam van het huis).
Sinds de Franse Revolutie zit dit reliëf hier pas in gevel en het is afkomstig van een klooster
dat verbonden was aan de nabijgelegen kerk Saint Merri.

Het waarschijnlijk oudste stenen gevelteken dat zich nog langs de openbare weg bevindt
is de steen met de afbeelding van Saint Julien l' hospitalier (de Heilige Juliaan, de Herbergzame) in de gevel van 42 rue Galande.
Het huis dateert uit de veertiende eeuw en stond toen al bekend als:
'la Maison où audessus est l' ansaigne de Saint Julian' (Het huis waarboven het uithangteken van Sint Juliaan is).
De legende over deze Juliaan, is die van een jonge edelman die gehuwd was met een edele dame.
Hij doodde zijn vader en moeder per ongeluk en trok hierop als pelgrim naar Rome om de Paus (onvergeefs) vergiffenis te vragen.
Devoot en vol van schuldgevoelens wijdde Juliaan en zijn vrouw zich aan het opvangen van pelgrims,
in een hospitium aan een gevaarlijke oversteek van een stroom.
Samen haalden zij dan de pelgrims, maar ook vaak zieken, in een boot op van de andere oever van de rivier.
Tijdens een stormnacht, namen zij na een hachelijk boottocht een melaatse in huis, die Christus zelf bleek te zijn:
na deze laatste test kreeg Juliaan vergiffenis voor zijn fout en werd hij uiteindelijk beschermheilige van de reizigers.
In de boot zien we Juliaan en zijn vrouw, met in het midden een staande Jesus Christus, die zich nog niet bekend heeft gemaakt.
Het gebouwtje links moet het hospitium (later hospitaal) voorstellen dat door de heilige opgericht was.

Ongetwijfeld bestaan er nog meer onontdekte geveltekens in Parijs.
In dit artikel is vooral de nadruk gelegd op de stenen uitvoeringen,
terwijl er nog heel veel andere historische hekwerken, deurstukken en uithangborden te zien zijn.
Een goede reden om weer eens zwerftocht door het oude Parijs te maken!
 
 
Terug